18 mrt 2008
OOSTERHOUT – Comazuipen, overlast, mishandelingen, steekpartijen. In het nieuws lijkt het soms alsof het volledig de verkeerde kant op gaat met de jeugd.
BN/DeStem sprak met tientallen jongeren en mensen die met jongeren werken om te kijken: hoe gaat het met tieners en twintigers die in Oosterhout wonen, naar school gaan of stappen? Deel 2 in een zesdelige serie (op dinsdag en zaterdag): drugs.
Leraren zeggen het, rectoren zeggen het, jongerenwerkers zeggen het en jongeren zeggen het: de wereld waarin jongeren drugs gebruiken, is niet de wereld waar zij het grootste deel van de week in leven. Volwassenen hebben vaak weinig zicht op de middelen die hun kinderen, leerlingen of cliënten buiten hun zicht gebruiken.
Zoals hoogleraar opvoedkunde Jo Hermanns het onlangs zei tijdens een bezoek aan Oosterhout: “Kinderen leven doorgaans op drie plekken: thuis, op school en in het publieke domein. Als je vraagt: ‘hoe was het op school’, antwoorden pubers bijna altijd ‘leuk’ of ‘gewoon’. Dat is hun manier om te zeggen dat je daar niks mee te maken hebt. Het zijn gescheiden werelden. Als ouder hoor je maar in een van die werelden thuis.”
Dé plek om drugs te gebruiken is het publieke domein. Niet thuis, niet op school. Niemand heeft helder zicht op wat Oosterhoutse jongeren gebruiken en hoe veel. De gemeente heeft er sinds 1996 geen eigen onderzoek meer naar gedaan. De laatste GGD-cijfers dateren uit 2003. Wie het over drugsgebruik onder Oosterhoutse jongeren anno 2008 heeft, moet zich vooral verlaten op giswerk.
Dát er gebruikt wordt, staat vast. Niets nieuws onder de zon, meent jongerenwerker Ingeborg Vissers: “Jongeren experimenteren met alles. Met liefde, vriendschap, drugs, roken. Ze zijn allemaal aan het ontdekken: wat past bij mij?” Vissers, vooral actief in Noord, komt niet veel drugsgebruik tegen in hanggroepen waar ze contact mee heeft. “Ik zie meer jongeren niet blowen dan wel. Maar: ik zie niet alles.”
Op scholen is bekend dat sommige leerlingen gebruiken. “Het lijkt een klein groepje dat blowt”, zegt Rob van den Nouweland, rector van het Mgr. Frencken College. Hij schat in dat een handvol leerlingen op school wiet of hasj rookt, op een totale schoolpopulatie van vijftienhonderd leerlingen.
“Je weet dat leerlingen blowen. Je ruikt het soms op het plein. Maar wie het gebruikt en waar zij drugs halen, is niet transparant.”
Ze halen ze via via, zegt een groepje leerlingen van het Frencken. Ze hebben niet allemaal geblowd, maar een paar hebben het wel eens geprobeerd. “Ik kreeg eerst buikpijn, daarna werd ik heel vrolijk”, meldt een jongen. Hoe hij aan de joint kwam? “Je weet op school wie regelmatig wiet bij zich hebben. Die vraag je of zij iets voor je kunnen regelen.”
Van den Nouweland hoort soms van leerlingen of ouders dat vlak bij school wordt gedeald. “Maar niemand wil namen noemen. Het blijft ongrijpbaar.” Ook in de buurt van het Oosterhoutse Florijn College werd tot vorig jaar gedeald, zegt locatiedirecteur Jaap Oomen. “Ik hoorde dat er regelmatig een auto vlak bij school stond en soms een in de wijk. De politie heeft dat opgepikt. Sinds de zomer heb ik er niks meer over gehoord.”
Dat drugs worden aangeboden in de omgeving van scholen leidt tot de conclusie dat de vraag daar ook bestaat. Toch melden schoolhoofden en docenten dat zij gebruik op school slechts sporadisch tegenkomen. Alle middelbare scholen melden ‘een of twee incidenten per jaar’ waarbij leerlingen drugs bij zich hebben. Meestal gaat het om joints. Soms treft een school speed of pillen in de zakken van een leerling. Dat een leerling ook echt gebruikt binnen de schoolmuren, komt nog minder voor.
Het lijkt er op dat jongeren hasj en wiet meestal buiten gebruiken. “Bij bijna iedere vaste hangplek liggen lege zakjes wiet”, weet Kees Schuller, wijkagent in Oosterheide-West. “Ze blowen bijna allemaal, vooral de oudere hangjeugd. Vanaf de leeftijd dat jongeren gaan experimenteren met roken, komen jointjes in beeld.”
De politie merkt vooral in het uitgaanscentrum dat jongeren ook harddrugs gebruiken, al neemt dat geen schrikbarende vormen aan. Maar, zegt Schuller: ” We vinden tijdens het horecatoezicht elke week wel iets. Een pil, een wikkeltje cocaïne, sporadisch ghb.”
Volgens agente Nurten Coku, die de jeugd als speciaal aandachtsgebied heeft, bestaat wel vaker het vermoeden dat horecabezoekers harddrugs hebben gebruikt. “Het zijn vooral jongens waarvan we vermoeden dat ze iets hebben gebruikt. Je moet echt contact met mensen krijgen, ze recht in de ogen kijken, anders merk je het niet. We hebben weinig zicht op drugsgebruik in Oosterhout omdat wij pas iets merken als iemand onze aandacht trekt.”
In juli 2007 pakte de politie drie tieners op die in vier maanden tijd vijftienhonderd xtc-pillen zouden hebben verkocht in het Oosterhoutse uitgaansgebied. Die hoeveelheid vraagt volgens verschillende bronnen om een afzetmarkt van zeker dertig tot veertig jongeren. “Het zullen er wel meer zijn”, denkt Oosterhouter Lars van Dongen (18). Zijn vriendengroep heeft een ’schijthekel’ aan drugs. Maar ze kennen wel mensen die gebruiken. Sommige waren eerst vrienden. “Zulke types zetten we uit de groep.”
De inschatting van minstens dertig xtc-slikkers lijkt Van Dongen aan de lage kant. “Als ik kijk hoeveel wij er kennen…Sommigen gebruiken elke week, anderen eens per jaar, per maand, of elke dag. Vorig jaar werd in één kroeg flink gedeald. Vooral waar mensen komen van een jaar of 16, 17.”
Van Dongen denkt dat het een kleine minderheid van Oosterhoutse jongeren is die harddrugs gebruikt. Met soms griezelige uitwassen, dat wel. ” Tijdens het Parkfeest stond ik voor het hoofdpodium. Vlak bij zat een jongetje op de grond dat duidelijk niet lekker was. Een normaal jongetje om te zien, twaalf jaar. Een vriendje van die jongen vertelde dat hij ghb had gebruikt. Ghb. Dat gebruiken ze om paarden te verdoven.”